Afmetingen en massa’s op de weg
De grootste lengte, breedte, hoogte en massa op de weg, per voertuig.
Grootste lengte
| Voertuig | Lengte |
|---|---|
| Vrachtauto solo | 12,00 m |
| Autobus met 2 assen, in gebruik na 09-09-2003 | 13,50 m |
| Autobus met 2 assen van vóór 10-09-2003, of met meer assen | 15,00 m |
| Gelede autobus | 18,75 m |
| Trekker met oplegger | 16,50 m; 17,30 m bij een 45ft-container |
| Vrachtauto met aanhangwagen | 18,75 m |
| LZV | 25,25 m, alleen met RDW-ontheffing |
Breedte, hoogte en massa
| Wat | Hoeveel |
|---|---|
| Breedte | 2,55 m; geconditioneerde voertuigen 2,60 m |
| Hoogte | 4,00 m |
| Vrachtauto, grootste massa | 50.000 kg |
| Samenstel, grootste massa | 50.000 kg |
| LZV | 60.000 kg |
Verwar deze massa’s niet met de gewichtsgrenzen van het rijbewijs. Dit zijn de grenzen op de weg; die van het rijbewijs staan bij “Rijbewijs: wat mag je besturen en trekken”.
Lengtes op schaal
alle maximumlengtes naast elkaar op één meetlat
Dezelfde getallen als bij “Afmetingen en massa’s op de weg”, maar dan naast elkaar op één schaal. Laat een cursist eerst schatten en dan pas kijken: vrijwel iedereen schat een trekker met oplegger te lang en een gelede autobus te kort.
De lengte van een samenstel meet je van de voorzijde van het trekkende voertuig tot de achterzijde van de aanhangwagen of oplegger, met laadklep en uitstekende lading meegerekend.
Wat een cursist ervan moet onthouden
- Een trekker met oplegger is korter dan een vrachtauto met aanhangwagen: 16,50 tegen 18,75 meter.
- Een gelede autobus is precies even lang als een vrachtauto met aanhangwagen.
- Tussen de kortste bus en de langste combinatie zit bijna twaalf meter — ruim twee personenauto’s.
- Bij het inhalen telt niet alleen je eigen lengte, maar ook het snelheidsverschil met degene die je inhaalt.
De voertuigen zelf staan bij “Combinaties en hun maximumlengte” en “Autobussen en hun maximumlengte”, daar op ware verhouding getekend.
Grootste aslast
Hoeveel een enkele as, een tandemstel en een tridem mogen dragen.
Enkele as, tandemstel en tridem
Wat de asafstand doet bij een tandemstel
Hoe verder de assen uit elkaar staan, hoe meer het stel samen mag dragen — tot 1,80 m.
Enkele as
| As | Grootste last |
|---|---|
| Enkele as, niet aangedreven | 10.000 kg |
| Enkele aangedreven as | 11.500 kg |
Tandemstel, niet aangedreven
| Asafstand | Grootste last |
|---|---|
| minder dan 1,00 m | 11.000 kg |
| 1,00 tot 1,30 m | 16.000 kg |
| 1,30 tot 1,80 m | 18.000 kg |
Tandemstel met een aangedreven as
| Asafstand | Grootste last |
|---|---|
| minder dan 1,00 m | 11.500 kg |
| 1,00 tot 1,30 m | 16.000 kg |
| 1,30 tot 1,80 m | 18.000 kg; 19.000 kg bij dubbele montage met luchtvering |
Tridem
| Asafstand | Grootste last |
|---|---|
| minder dan 1,30 m | 7.000 kg per as |
| 1,30 tot 1,80 m | 8.000 kg per as; 9.000 kg met luchtvering |
Boven een asafstand van 1,80 m gelden de assen als losse enkele assen.
Maximumsnelheden
RVV 1990, artikel 20, 21 en 22
Algemeen
| Wegtype | Snelheid |
|---|---|
| Binnen de bebouwde kom | 50 km/h |
| Buiten de bebouwde kom, overige wegen | 80 km/h |
| Autoweg | 100 km/h |
| Autosnelweg, wettelijk plafond | 130 km/h |
Op de autosnelweg geldt overdag, van 06.00 tot 19.00 uur, op vrijwel alle trajecten 100 km/h. Dat loopt via de borden, niet via de RVV. ’s Avonds en ’s nachts is het 100, 120 of 130, afhankelijk van het traject.
Bijzondere maximumsnelheden
| Voertuig | Snelheid |
|---|---|
| Vrachtauto’s, ook boven 3.500 kg | 80 km/h, overal |
| Autobussen, niet zijnde T100-bussen | 80 km/h |
| Kampeerwagen, bedrijfsauto boven 3.500 kg | 80 km/h |
| T100-bus | 100 km/h |
| Personenauto, bestelauto of T100-bus met een aanhangwagen van ten hoogste 3.500 kg | 90 km/h |
| Alle overige motorvoertuigen met aanhangwagen | 80 km/h |
| LZV | 80 km/h |
Een bestelauto tot 3.500 kg valt niet onder de bijzondere snelheden en volgt de algemene limieten.
Combinaties en hun maximumlengte (1)
vrachtauto en oplegger — alles op dezelfde schaal
Alle voertuigen hier en bij ‘Combinaties en hun maximumlengte (2)’ staan op dezelfde schaal, dus de lengtes zijn onderling te vergelijken. De maat is telkens de totale lengte van het voertuig of de combinatie, gemeten over alles heen: koppeling, dissel en dolly tellen dus mee.
Vrachtauto solo — 2 assen
Vrachtauto solo — 3 assen
Aanhangwagen los gemeten (niet zijnde een oplegger)
Trekker met oplegger
De lengte wordt gemeten over het geheel: van het verste punt vóór tot het verste punt achter, inclusief bumper, laadklep en uitstekende lading. Een spiegel telt niet mee, een uitgeklapte laadklep wél. Bij een combinatie is de dissel of de koppeling dus onderdeel van de maat — hij zit ertussen, maar hij telt mee.
Combinaties en hun maximumlengte (2)
vrachtauto met aanhangwagen, dolly en LZV
Vervolg van ‘Combinaties en hun maximumlengte (1)’, op dezelfde schaal. Let op het verschil: een trekker met oplegger mag 16,50 m, maar een vrachtauto met aanhangwagen 18,75 m — de aanhangwagen is een los voertuig, de oplegger niet.
Vrachtauto met aanhangwagen
Vrachtauto met middenasaanhangwagen
Vrachtauto met dolly en oplegger
LZV — alleen met ontheffing
Zit er tussen de twee laadbakken een dissel, dan is het een aanhangwagen en geldt 18,75 m. Rust de laadbak met zijn voorkant op de trekker, dan is het een oplegger en geldt 16,50 m. Zit er een dolly onder de oplegger, dan tellen dolly en oplegger samen als aanhangwagen en geldt 18,75 m.
Autobussen en hun maximumlengte
het aantal assen bepaalt hoe lang de bus mag zijn
Bij de autobus bepaalt het aantal assen de maximumlengte. Ook hier gaat het om de totale lengte, en staan de voertuigen op dezelfde schaal als bij ‘Combinaties en hun maximumlengte’ (1) en (2).
Autobus met 2 assen
Autobus met meer dan 2 assen
Gelede autobus
Autobus met aanhangwagen
Dubbelgelede autobus — alleen met ontheffing
De algemene maten: breedte en hoogte
wat voor élk voertuig geldt, en de uitzondering die geen uitzondering is
Breed 2,55 m · hoog 4,00 m
De koelwagen mag 2,60 m breed zijn. In de hoogte bestaat die uitzondering niet: 4,00 m geldt voor iedereen.
| Maat | Hoeveel | Waarvoor |
|---|---|---|
| Breedte | 2,55 m | alle voertuigen |
| Breedte | 2,60 m | geconditioneerde voertuigen: de koelwagen mag bréder zijn vanwege de isolatie in de wanden |
| Hoogte | 4,00 m | alle voertuigen, zonder uitzondering |
Voor geconditioneerde voertuigen geldt een ruimere breedte van 2,60 m. Voor de hoogte bestaat die uitzondering niet: 4,00 m geldt voor iedereen. De maat van 4,20 m die soms rondgaat in de branche is geen Nederlandse wettelijke maat.
Wat de leerling hiervan moet onthouden
- De 4,00 m is de wettelijke maat, geen garantie. Onder een viaduct, in een parkeergarage of bij een laadperron gaat het om de werkelijke hoogte van jouw voertuig van dat moment.
- De hoogte staat niet op het kenteken van de opbouw: meten en op de cabine noteren.
- Breder dan 2,55 m of hoger dan 4,00 m rijden mag alleen met een ontheffing van de RDW, met de daarbij horende route en begeleiding.
- Uitstekende lading telt mee in de lengte en in de breedte.
Breed 2,55 — koel 2,60 — hoog 4,00 voor iedereen. Alles daarbuiten: ontheffing.
Lading zekeren: de drie manieren
welke kracht er op de lading staat, en hoe je die opvangt
Stilstaande lading drukt alleen omlaag. Bij een noodstop duwt ze met 80% van haar gewicht naar voren, bij het optrekken met 50% naar achteren en in de bocht met 50% opzij. Duizend kilo wordt bij vol remmen dus een duw van achthonderd kilo.
De drie manieren, van sterk naar zwak
1Opsluiten / Vormsluiten
Sterkst. Geen band, dus geen enkel getal van het label.
2Direct zekeren
Sterk. De band houdt de lading zélf tegen. Hier telt LC.
3Neerwaarts zekeren
Zwakst. De band drukt alleen aan; de wrijving houdt tegen. Hier telt STF.
Loopt de band schuin van de lading naar een sjorpunt, dan is het direct zekeren. Loopt hij recht omlaag over de lading heen, dan is het neerwaarts zekeren. De stand van de band vertelt meteen welk getal van het label meetelt.
Wat de leerling hiervan moet onthouden
- Opsluiten is gratis en het sterkst: laden tegen het kopschot, de zijwanden en tegen elkaar scheelt banden.
- Neerwaarts zekeren is de zwakste manier en wordt het meest gebruikt — daar zit dus de meeste winst. Een band die eroverheen ligt houdt niets vast; alleen de wrijving houdt tegen.
Spanbanden: LC, STF en SHF
wat de getallen op het label betekenen en hoeveel banden je nodig hebt
| Letter | Wat het betekent |
|---|---|
| LC | Sjorkracht. Hoeveel de band tegenhoudt als je er in de lengte aan trekt; 2.500 kilo bij een gewone band van 50 mm. Werkbelasting, geen breekkracht. |
| STF | Voorspanning. Hoe strak je hem met de hand krijgt: 250 à 500 kilo. Een lange hendel haalt meer dan een korte. |
| SHF | Handkracht. 50 kilo aan de hendel. Daar zijn alle getallen op gerekend; een pijp erover mag niet. |
Welk getal telt waar? Bij direct zekeren telt LC, want de band houdt de lading vast. Bij neerwaarts zekeren telt STF, want daar gaat het alleen om aandrukken. SHF geldt altijd. Eén daN op het label is ongeveer één kilo.
Hoeveel banden bij neerwaarts zekeren?
Voor 1.000 kg lading:
| Ondergrond, 1.000 kg lading | Wrijving μ | Banden | Let op |
|---|---|---|---|
| Nat, vuil of niet sneeuwvrij | 0,2 | 3 | wat de vloer ook is: maximaal 0,2 |
| Hout op hout, schoon geveegd | 0,3 | 2 | de gewone situatie |
| Met antislipmatten | 0,6 | 1 | de helft minder werk |
Een antislipmatje doet meer dan een extra ratel. Leg de band zo recht mogelijk omlaag: hoe schuiner hij loopt, hoe minder aandrukkracht er overblijft. Een band met een snee, een knoop of een kromme ratel gaat weg, en zonder leesbaar label mag hij niet meer gebruikt worden. Trek na een paar kilometer opnieuw na — lading zakt in elkaar en banden lopen los.