De stuurmethode
doorgeven of overpakken — wat de Rijprocedure voorschrijft
De Rijprocedures C en D schrijven de doorgeefmethode voor als norm, en benoemen zelf in welke gevallen daarvan mag worden afgeweken.
De norm: doorgeven
De rechterhand bestrijkt de rechterhelft van het stuurwiel, de linkerhand de linkerhelft. Het stuur gaat van de ene hand aan de andere over; de handen kruisen elkaar niet. De goede zithouding blijft daarbij gehandhaafd.
Draai het stuurwiel nooit als het voertuig stilstaat. Dat geldt voor de vrachtauto én de autobus, en staat in beide Rijprocedures als eerste zin onder “Stuurbehandeling”.
De stuurhouding — controlepunten
- Stuurwiel niet krampachtig vasthouden.
- Vingers van beide handen om de buitenkant van het stuurwiel.
- Stand van de handen ongeveer kwart voor drie.
- Armen licht gebogen.
- Duimen op het stuurwiel.
- Stuurwiel in principe met beide handen vasthouden.
- Rug voortdurend aangeleund; bij geheel aangesloten rug is het stuurwiel zo veel mogelijk geheel te bestrijken.
Waarom het ertoe doet
- Gezondheid — een verkeerd aangeleerde zit- en stuurhouding heeft op latere leeftijd nadelige gevolgen voor de gezondheid; Rijprocedure D noemt rugklachten in de inleiding.
- Voertuiggedrag — een goede stuurbehandeling heeft een positieve invloed op het gedrag van de vrachtauto in bochten (C).
- Comfort — bij de autobus bepaalt de stuurbehandeling voor een groot deel het comfort van de passagiers; bij staande reizigers weegt dat zwaarder (D).
De stuurmethode: afwijken van de norm
wanneer van de doorgeefmethode mag worden afgeweken
| Afwijken van de doorgeefmethode mag… | Vrachtauto (C) | Autobus (D) |
|---|---|---|
| in noodsituaties | ja | ja |
| bij bijzondere verrichtingen keren door steken, halve draai, bocht achteruit | ja | ja |
| in situaties waarbij vlot sturen een vereiste is | ja | niet genoemd |
Rijprocedure C noemt drie gevallen, Rijprocedure D twee. Het derde — vlot sturen is een vereiste — ontbreekt bij de autobus. D voegt eraan toe dat het stuurwiel met één hand vasthouden de passagiers optisch een onveilig gevoel geeft.
Taal in de Rijprocedure
De Rijprocedures kennen alleen de doorgeefmethode en het afwijken van de doorgeefmethode. Wie “overpakken” als praktijkwoord gebruikt, kan het tussen haakjes achter de vakterm zetten; dan blijft zichtbaar wat de norm is en wat de uitzondering.
Bij het beoordelen
- Stuurbewegingen worden rustig uitgevoerd (C); bij de bus zó dat de passagiers rustig kunnen blijven zitten (D).
- Met zo min mogelijk stuurcorrecties de meest ideale lijn; onnodige correcties blijven achterwege.
- De kijktechniek bij een manoeuvre beïnvloedt de besturing niet negatief — spiegelen trekt niet aan het stuur.
- Bij het rijden en volgen van bochten hoort een vloeiende stuurbeweging.
Aankoppelen van de oplegger
de volgorde, en de controle die alles beslist
Een verkeerde koppeling ziet er van bovenaf goed uit. Pas bij het eerste stuk trekken laat de oplegger los. Daarom is de controle de kern van de handeling.
- Oplegger vast. Parkeerrem oplegger erop, keggen, poten op vaste grond. Niemand tussen trekker en oplegger.
- Schotel klaar. Vergrendeling open, schotel schoon en gevet (tenzij onderhoudsvrij), niets ertussen.
- Iets te laag eronder. Schotel net onder de opleggerplaat, hooguit 5 cm. Rijd eronder tot de kingpin vlak vóór de schotel staat, en stop. Op het examen staat de oplegger bewust schuin.
- Omhoog tot de plaat. Luchtvering omhoog tot de schotel de plaat raakt. De oplegger niet optillen.
- Achteruit tot de klik. Stapvoets tot de vergrendeling dichtklikt. Niet aanrammen.
- Trekproef. Lage versnelling; de oplegger staat nog op zijn parkeerrem.
- Uitstappen en controleren. Parkeerrem trekker erop; zie de controle hieronder.
- Aansluiten. Eerst geel, dan rood, dan de stekkers.
- Afmaken. Luchtvering iets omhoog tot de poten vrij zijn (nu mag de oplegger wél mee), poten omhoog. Parkeerrem oplegger los, keggen weg, luchtvering in de rijstand.
- Vertrekcontrole. Verlichting, remtest, rondje om de combinatie.
Trekproef met de parkeerrem van de oplegger vást, anders trek je hem gewoon mee. Eronder kijken: vergrendeling om de kingpin, hendel helemaal terug, borging erop. Geen ruimte tussen opleggerplaat en schotel.
Sluit je rood aan terwijl geel nog los is, dan lost de noodrem van de oplegger. Zonder parkeerrem kan hij wegrollen, ook op een kleine helling, en het rempedaal werkt niet op de oplegger. Afkoppelen: rood eerst, geel daarna.
Afkoppelen
de volgorde, en waar het misgaat
- Kies de plek. Vlak en vast. Op zand, grind of zacht asfalt platen onder de poten.
- Zet recht en iets omhoog. Combinatie in lijn, trekker met de luchtvering iets omhoog.
- Remmen vast. Parkeerrem trekker, parkeerrem oplegger, keggen voor de wielen.
- Steunpoten omlaag. Tot ze op de grond staan; niet de oplegger optillen.
- Leidingen en stekkers los. Eerst rood, dan geel, dan de stekkers; in de parkeerdozen.
- Vergrendeling open. Borging eraf, hendel uittrekken.
- 30 cm vooruit, dan zakken. Stop na ongeveer 30 cm en laat de trekker met de luchtvering 5 à 10 cm zakken. Blijft de oplegger staan?
- Eronder uit. Rustig vooruit, daarna de luchtvering in de rijstand.
Afkoppelen: eerst de poten op de grond, en pas na het openen en 30 cm vooruit de trekker laten zakken. Aankoppelen: eerst vergrendeld en gecontroleerd, dan pas de poten omhoog.
Waar het misgaat
| De fout | Wat er dan gebeurt |
|---|---|
| Te hoog aangekoppeld | De kingpin ligt óp de schotel in plaats van in de vergrendeling. Bij optrekken, in een bocht of op een hobbel valt de oplegger eraf. |
| Trekproef zonder rem | Je trekt de oplegger gewoon mee en denkt dat het goed zit. |
| Hendel niet helemaal terug | De vergrendeling is niet dicht. |
| Borging niet erop | Door trillingen kan de hendel opengaan. |
| Rood aangesloten zonder geel | De noodrem lost: zonder parkeerrem kan de oplegger wegrollen, en hij remt niet mee. |
| Poten te vroeg omhoog | Nog niet vergrendeld of gecontroleerd: de oplegger zakt op de trekker of op de grond. |
| Wegrijden met leidingen vast | Leidingen en stekkers scheuren af; de oplegger remt in noodrem. |
| Parkeerrem oplegger blijft staan | Rijden met geremde assen: warme trommels of schijven, platte plekken, rook. |
De koppeling controleren
afkeurmaten, borging en leidingen
De koppeling is een van de weinige onderdelen waar een harde afkeurmaat op staat. Een kingpin van 2 inch is nieuw 50,8 mm; de RDW keurt hem af onder 49,0 mm. Veel speling is er dus niet, en slijtage zie je er van buiten nauwelijks aan.
| Kingpin (koppelpen), diameter | minimaal |
|---|---|
| 2 inch, smalste deel | 49,0 mm |
| 2 inch, deel direct daarboven | 70,0 mm |
| 3,5 inch, smalste deel | 86,0 mm |
| 3,5 inch, deel direct daarboven | 110,0 mm |
En verder
- De opleggerplaat (RDW: koppelingsplaat) mag binnen 45 cm van het hart van de kingpin niet meer dan 5 mm onvlak zijn, en niet ernstig vervormd of ingesleten.
- De vergrendeling moet vanzelf sluiten; de borging moet aanwezig zijn en werken.
- De schotel hoort gevet, tenzij er een onderhoudsvrije glijplaat op zit.
- Leidingen zonder scheuren of schuurplekken, koppelingen die goed dichten.
- Rood is de voorraadleiding, geel de bediening. Aansluiten: geel eerst, rood daarna. Afkoppelen: rood eerst, geel daarna.
Meet op het smalste deel, waar de vergrendeling omheen grijpt, en op het deel direct daarboven. De meetbek is op die plek 2 tot 4 mm dik.
Wanneer kijk je waarnaar
| Moment | Waar je naar kijkt |
|---|---|
| Elke koppeling | Vergrendeling en borging, geen ruimte tussen opleggerplaat en schotel, leidingen vrij. |
| Dagelijkse controle | Vet op de schotel, beschadiging of scheuren, schuurplekken op de leidingen. |
| APK | De maten hierboven, en de vlakheid van de plaat. Daar wordt gemeten, niet geschat. |