Slim oefenen, beter onthouden
Een studieadvies: zo pak je een oefenvraag aan, zo leer je van je fouten en zo doe je het op de examendag.
1Lees de vraag woord voor woord
Niet scannen, maar lezen. Neem elk woord apart tot je en vraag je bij elk woord af: wat betekent dit precies? ‘Massa rijklaar’ is iets anders dan ‘ledig gewicht’, ‘rijtijd’ is iets anders dan ‘werktijd’. De meeste fouten worden niet gemaakt omdat je het niet wist, maar omdat je een ander woord las dan er stond.
De eerste keer om te weten waar hij over gaat. De tweede keer om te zien wat er precies gevraagd wordt. Onderstreep het woord waar het om draait. Pas daarna kijk je naar de antwoorden.
2Woorden die je moeten alarmeren
| Het woord | Wat het je vertelt |
|---|---|
| te | Te hard, te zwaar, te laat, te lang. Als er ‘te’ staat, klopt er bijna altijd iets niet. Een antwoord met ‘te’ erin is meestal het foute antwoord. |
| altijd, nooit | Alarm. Er bestaan zoveel uitzonderingen dat bijna niets altijd of nooit is. Lees zo’n antwoord twee keer en vraag je af: ken ik een uitzondering? Dan is het fout. |
| alleen, uitsluitend | Hetzelfde alarm, in een ander jasje. ‘Alleen als…’ sluit alles anders uit. Klopt dat echt? |
| minimaal, maximaal, ten minste, hoogstens | Hier zit het antwoord vaak in het getal. Kijk of het getal klopt én of het de goede kant op wijst: een ondergrens of een bovengrens. |
| niet, geen | Een ontkenning in de vraag draait alles om: ‘Wat is niet verplicht?’ Onderstreep hem, anders kies je het antwoord dat wél klopt en is het toch fout. |
3Streep weg wat echt fout is
Bij een meerkeuzevraag zoek je eerst naar de antwoorden die iets zeggen dat niet klopt, of dat echt fout is. Die streep je door. Meestal blijven er dan twee over. Die twee bestudeer je: zou dit antwoord goed kunnen zijn? Kies het antwoord dat helemaal klopt, niet het antwoord dat een beetje klopt.
- a
Altijd 9 uur.— ‘Altijd’ — alarm. Twee keer per week mag 10 uur. Fout. - b 9 uur, en twee keer per week 10 uur. — Blijft over. Klopt met wat je weet. Dit is hem.
- c
10 uur, als je anders te laat komt.— ‘Te laat’ — die reden bestaat niet in de wet. Fout. - d
Nooit langer dan 9 uur.— ‘Nooit’ — alarm. En inderdaad: 10 mag soms. Fout.
Niet naar de antwoorden. Lees de vraag nog een keer woord voor woord; vaak zit daar de aanwijzing. Verander een antwoord alleen als je er een reden voor hebt, niet uit onrust.
4Schrijf je fouten op — met de hand
Een oefenexamen is pas nuttig ná het nakijken. De vragen die je fout had, zijn precies de onderwerpen die je nog niet kent. Zoek die op in het boek en schrijf zelf op wat er staat. Wat je zelf opschrijft, onthoud je veel beter dan wat je leest; wat je in je eigen woorden opschrijft, onthoud je het best.
Lezen voelt als leren, maar het is kijken. Pas als je het zonder het boek moet opschrijven, merk je wat je echt weet. Dat moment van ‘hoe zat het ook alweer’ is precies het moment waarop het blijft hangen.
5Herhaal met tussenpozen
| Wanneer | Wat je doet |
|---|---|
| Direct na het oefenexamen | Pak elke fout erbij. Schrijf op waar de vraag over ging, wat je koos en wat goed was. Nog niet leren, alleen opschrijven. |
| Dezelfde dag | Zoek elk onderwerp op in het boek. Lees het en schrijf het daarna in je eigen woorden op, met het boek dicht. Klopt het niet helemaal? Boek open, nog een keer. |
| Morgen | Lees je foutenboekje en probeer per onderwerp te zeggen wat er stond, zonder te kijken. Wat je niet meer weet, schrijf je nog een keer op. |
| Over een week | Nieuw oefenexamen. Kijk vooral of de oude fouten nu goed gaan. |
Boek dicht, klok erbij, geen telefoon. Eerst per onderwerp, zodat je weet waar je zwak bent; daarna door elkaar, zoals het echte examen. Met het boek ernaast oefenen zegt niets.
6Op de examendag
- Lees, streep weg, kies, ga door. Blijf niet hangen bij een vraag; sla hem over als dat kan en kom terug als de rest klaar is.
- Kom terug met een frisse blik. Bij de vragen die je oversloeg lees je de vraag opnieuw, woord voor woord, alsof je hem voor het eerst ziet.
- Laatste rondje: te, altijd, nooit. Loop je antwoorden nog één keer langs en kijk alleen naar die woorden. Staat er een in het antwoord dat je koos? Dan nog een keer nadenken.
- Vertrouw op wat je hebt opgeschreven. Wat in je eigen woorden in je boekje staat, zit in je hoofd. Daar heb je het voor gedaan.
Doe het bij het volgende oefenexamen precies zo: woord voor woord lezen, wegstrepen, en daarna je fouten opschrijven. Vergelijk je score met die van vandaag. Het verschil is wat deze manier van werken je oplevert.